Het gebruik van de Vingerhoed dateert al vanaf de Steentijd toen er platen gebruikten ter grootte van een handpalm als hulpje bij het naaien. Ze waren voorzien van gaatjes waar de naalden konden worden gestoken en hadden snoeren waarmee ze om de hals konden worden gedragen. In de buurt van Moskou zijn botringen gevonden die 30.000 jaar geleden door mammoet jagers weden gebruikt om pareltjes op lederen kleding te naaien.
In de gebieden rondom de Middellandse zee zijn de eerste metalen vingerhoeden getraceerd die dateren van gebieden rondom de Middellandse Zee. Ze werden uit brons gegoten en de putjes werden er handmatig in geboord. Het waren de Romeinen die deze bronzen vingerhoeden naar Germaanse landen brachten. De Germaanse dames vonden het een nadeel dat de hoedjes door oxidatie roest afgaven op de stof. Hun echtgenoten hoorden hiervan en zochten naar andere materialen waardoor het beroep van vingerhoedmaker zich ging ontwikkelen.
De eerste vingerhoedmaker vestigde zich in 1373 in Neurenberg en in de loop van de volgende 400 jaar ontwikkelde deze bedrijfstak zich steeds verder. Ook in andere delen van Europa komt dit beroep steeds meer op, vooral omdat de vingerhoed belangrijk werd voor andere ambachten, zoals de schoenmaker,
zadelmaker en kleermaker. Het beroep werd zelfs zo belangrijk dat de ambachtsman er vrijstelling van militaire dienst voor kon krijgen.
Aan het begin can de 16e eeuw werd nabij Aken een zinkhoudende stof gevonden die men galmei noemde. Bij toevoeging van zink aan deze galmei na afkoeling een gele kleur. Het nadeel van deze procedure was dat tijdens het vloeibaar maken stinkende en gevaarlijke dampen ontstonden. Dat maakte de vingerhoedmakers natuurlijk niet erg geliefd bij de lokale bevolking en deze ambachtslieden werden aan het begin van de 16e eeuw gedwongen de stad Keulen te verlaten.
Ook in andere landen raakte dit ambacht in opmars, in Nederland bijvoorbeeld concentreerden zij zich ronde De Bilt, Vianen en Utrecht. In de 17e eeuw ontsond zelfs een monopolie van de vier grootste vingerhoed producenten die bij een notaris vast lieten leggen dat zij alle vier eenzelfde deel van de in totaal 3,5 miljoen vingerhoeden zouden hebben. Die moesten dan allen voor dezelfde prijs en in dezelfde verpakking aangeboden worden.
Het was een Nederlander die in de tweede helft van de 17e eeuw de vingerhoed productie naar Engeland bracht. Na de grote brand in Londen vestigde zich een Nederlandse brandspuit firma in Engeland. De eigenaar daarvan ontdekte dat de vingerhoeden die vanuit Nederland en Duitsland werden geïmporteerd erg duur waren. Daarom besloot hij een machine te ontwerpen waarmee de vingerhoeden in Engeland zelf konden worden geproduceerd.
In de tweede helft van de 19e eeuw proberen andere landen zoals Zweden door spionage achter het geheim van de vingerhoed productie te komen. Het lukt Keizerin Maria Therisia van Oostenrijk in 1763 ambachtslieden uit Neurenberg om te laten kopen die verstopt in hooiwagens de stad uit werden gesmokkeld. In 1924 was de vingerhoed productie in landen als Engeland, Frankrijk en Amerika niet onaanzienlijk, maar in Zuid Duitsland ontstond er door een samenwerking van Soergel & Stollmeyer in Schwäbisch Gmünd en Lotthammer in Pforzheim de allergrootste vingerhoedproductie ter wereld.
Eeuwen lang was de productie van vingerhoeden was eeuwen lang zo belangrijk dat het een belangrijke steunpaal voor de economie vormde. Daar kwam met de opkomst van de naaimachine verandering in en liep de productie hard achteruit. Tegenwoordig is het nagenoeg geen gebruiksvoorwerp meer en vormt het voornamelijk voor de liefhebber een verzamel object voor zijn of haar verzameling.